'Welke winst, Constance?' vroeg Peter.

'Wat er boven die honderdduizend frank...'

'Ge bedoelt dat ge daar een stukje van wilt? In een redelijke verhouding? Er is daarover te discussieren.'

Zij discussieerden. Toen Peter weg was wierp Papa op dat zij misschien met de winst een dkw met een houtvergasser zouden kunnen kopen.

'Gij zijt nog dwazer dan ik dacht, Staf.'

'Of een schone bontmantel voor u.'

'Ik heb niets van u nodig. Zorg liever voor uw huishouden en voor Louis.'

'Wij zijn er weer bovenop voor een tijdje,' zei Papa.

'Uw vader had zijn trouwring niet aan.'

'Hij past misschien niet meer op zijn vingers, want hij vermagert zienderogen.'

'Van zijn slecht geweten.'

'Constance, wanneer gaat dat nu eens gedaan zijn met dat hertefretten!'

'Als ik dood ben,' zei Mama. 'Het liefst zo rap mogelijk.'

==

'Zij zijn in Normandie geland, precies op de plek waar Veldmaarschalk Rommel ze verwachtte, en met dat schoon weer, zonder wind, zullen de parachutisten afgeschoten worden als duiven.'

'Als de Germaanse zegedrift ontbrandt, zal Roosevelt uit zijn karretje vallen van de schrik.'

'Het zijn voornamelijk negers die geland zijn, die moeten altijd in de eerste linies de kolen uit het vuur halen, de sukkelaars, al dat zwart vlees dat blijft hangen aan het prikkeldraad van Europa.'

'Het gaat om het zijn of niet zijn van Europa.'

'Pierlot zegt het zelf in Londen. ''Nog is de tijd voor de grootste strijd niet gekomen." Dat wil zeggen dat ze een probeersel wagen, zoals in Dieppe. ''Lijden en ontbering zullen nog groter worden," zegt Pierlot. En dat we moed, tucht en vertrouwen moeten hebben. Hoe durft hij, met alle nachten die moordenaars in de lucht van Walle die komen bombarderen? Kardinaal Van Roey zelf - en als er een is die de kat uit de boom kijkt is hij het,- heeft in een brief van alle kansels geprotesteerd dat het onmenselijk was.'

'Het is een ramp voor ons,' zegt Tante Monique, 'de prijs van het vlees is dertig procent gedaald in twee dagen tijd.'

'Van de boter ook.'

'Het is toch wreed dat uw commerce zo kan afhangen van een landing in Normandie. Maar Robert laat het aan zijn hart niet komen. De prijs mag nog tot de helft zakken, zegt hij, ik ga er geen uurtje slaap voor laten. Ge leeft maar een keer!'

'Nu dat de Russen hun werk goed gedaan hebben in hun streek met miljoenen doden, ja, nu zijn ze daar, de Angelsaksers, de Amerikanen. Zij komen er aan!'

De Ku Klux Klan die in zijn witte gepunte mutsen met zwarte gaten als ogen, negers ophangt en roostert,

de majorettes met zilveren gepluimde sjako's en schaamteloos malse dijen, zwaaiend met de Stars and Stripes,

de buikdanseressen met diamanten op de tepels en schaamhaar in v (for Victory)-vorm geschoren,

de uit Sing-Sing gehaalde Al Capone, Legs Diamond,

de Comanches en de Sioux en de Apaches en John Wayne,

zij komen eraan en gooien valse dollars naar beneden en fosfoorbommen,

zij komen onze Sint Maartenstoren, onze Romaanse en Gotische trots, onze Gravenstenen en Minnewaters vernielen, onze Gregoriaanse zangen doven.

Zoals ze Rome hebben platgelegd, nee, bijna hebben platgelegd want de Paus heeft het natuurlijk op een akkoordje gegooid, soort zoekt soort, hij heeft Rome laten innemen door een Britse generaal die van zijn familienaam Alexander heet, zoals Alexander de Grote de Veroveraar.

==

Vanaf het ogenblik dat het huis in de Oudenaardse Steenweg hun niet meer toebehoorde (zelfs al was het nog niet definitief verkocht aan de neef van Kanunnik van Londerzeele) verwaarloosde Mama het huishouden meer dan ooit. Als Papa de vaat niet deed, bleven er stapels staan met korsten. Mama zei dat ze geen tijd meer had, nu de overuren in de erla gewone werkuren geworden waren.

Toch zat ze soms lange tijd voor zich uit te staren in de keuken, zei dat ze zich zou melden als Hilfschwester, eerst een maand aardappelen schillen en gebroken benen verzorgen in Schwerin en dan naar een veldlazaret in het Oosten dat steeds dichterbij kwam op de kaart. Of ze sprak van zich op te hangen aan een lantaarn.

'Wacht tot er een kerstboom op de Grote Markt staat, als de Amerikanen hier zijn,' zei Louis, 'dan kan heel Walle u zien hangen.'

'Lach maar,' zei zij. 'Wacht maar.'

==

Herman Polet die later naar de Universiteit van Gent wil om voor advocaat te studeren en dan pas, met diploma op zak, degenslikker en vuurspuwer wil worden, zei: 'Dat zijn gedichten van een halve frank, Seynaeve, er zit geen diepe gedachte in, het is allemaal over verdriet, wie kan het wat schelen dat ge goesting hebt om u op te hangen omdat ge geen lief hebt.'

'Ik heb een lief.'

'Wie dan?'

'Zeg ik niet.'

'Houd uw moeder voor de zot.'

'Ik heb haar beloofd dat ik haar naam niet zal noemen.'

'Hoe oud is zij?'

'Een maand jonger dan ik.'

'Blond of zwart.'

'Zwart, met Pruisisch blauwe glanzen.'

'Als ge er een blauw lampje op zet, zeker?'

''s Avonds knoopt ze haar haarwrong los.'

'Aha, zij is bij de Dietse Meisjesscharen!'

'Nee. Zij dragen allemaal hun haar hoog opgestoken in een wrong, in haar familie. Haar moeder ook, die is pianiste. Maar als ik haar 's avonds zie, knoopt ze haar haar los en valt het over haar naakte schouders.'

'Tot aan haar gat?'

'Nee. Nee.'

'Ge moet niet rood worden, Seynaeve. Heeft ze een dik gat, staat het een beetje hoog, of zakt het wat af?'

'Polet, dat gaat u niet aan.'

'Vertel verder. Na het haar zijn het gewoonlijk de ogen die eraan te pas komen.'

'Amandelvormig met wimpers die, als het licht van boven valt, sprieteltjes maken over haar wangen.'

'Kijkt ze een heel klein beetje scheel?'

'Natuurlijk niet.'

'Jammer.'

'Waarom?'

'Omdat schele vrouwen als ze schieten recht kijken. Welke kleur hebben haar ogen?'

'Zwart.'

'Banaal.'

'Met gouden spikkeltjes.'

'Sprieteltjes, spikkeltjes, schei toch uit, Seynaeve. Heeft ze parfum op? Welk merk?'

'Dat weet ik niet.'

'Ja, maar stinkt ze of niet?'

'Wacht. Ik weet het toch. Imprudence.'

'Dat bestaat niet.'

'Ik zal u morgen het flesje laten zien.'

'Wat doet ze 's avonds onder die blauwe lamp?'

'Zij zegt niet veel. Ze leest. Zij kan heel goed schaken. Zij is zot van de natuur en van de dieren. Daarom heeft ze ook altijd een hond bij zich.'

'Een preutelikker, zeker.'

'Nee. Een borzoi.'

'O, gij godverdomse leugenaar. Borzoi, zegt hij. En hij heeft nog nooit van zijn leven een borzoi in 't echt gezien. Gij zijt ontmaskerd, Seynaeve, want 'borzoi', dat staat in de bloemlezing van Hollandse gedichten. Ah, ge dacht dat gij alleen in Walle op de hoogte was, toevallig zijn we niet allemaal stomme kloten. Borzoi!'

'Het is een Russische hond, Polet. Hij wordt gebruikt voor de wolvenjacht. Zij heeft hem cadeau gekregen van een oudere man die verliefd is op haar en die haar niet kon krijgen en daarom naar het Oostfront vertrokken is.'

'Waar zijn pietje bevroren is zeker. Waarom wilde zij hem niet?'

'Omdat ze verliefd is op mij, Polet.'

'Zegt ze dat?'

'Zij zoekt mij overdag in de stad, zegt ze, terwijl dat ze weet dat ik op school ben. Als de Amerikanen overvliegen sterft ze duizend doden, zegt ze, omdat zij mij onder het puin ziet liggen.'

'Is ze van een rijke familie?'

'Ik geloof van wel. Want zij wil mij een hele dure horloge kopen.'

'Maar die aanvaardt ge niet, omdat ge ons op het College de ogen niet wilt uitsteken?'

'Nee. Omdat ik niet van haar geld wil afhangen.'

'Heeft ze kalfsknieen?'

'Een beetje, geloof ik. Ja.'

'Aha! En haar spleetje? Nat?'

'Alstublief, Polet, een beetje manieren.'

'Gij hebt er toch al aan gezeten?'

'Wat dacht ge?'

'Aha, en zij, wat deed zij bij u?'

'Laatst lag zij op haar knieen en zij pakte mijn fluit, deed er mijn hemd rond en stak hem weer in mijn gulp.'

'Het is iets met het vrouwvolk tegenwoordig,' zei Herman Polet.

==

Louis damde met Nonkel Leon. Zij hurkten samen op het tapijt, Nonkel Leon kon nog niet wennen aan zijn huis. In het tapijt vol brandgaten dat Duitsland nu was had hij altijd in kleermakerszit op de plankenvloer van hun barak gezeten. Hoe meer tonnen bommen op Duitsland dalen, des te heftiger zingt men daar in de kelders vol water en roet: 'Die Fahne hoch, die Reihen fest geschlossen.'

Tante Nora deed uitgelaten, zij die de karwats verdiende om haar ontucht met een uiterst minderjarige. 'Nonkel Leon, ik heb uw vrouw bereden.' Zo zei men dat toch?

'Gij hebt het aan uw hart niet laten komen, he?' zei Nonkel Leon bitter.

'Waarom zou ik?' zei Tante Nora koket.

'Gij hebt het ervan genomen, he?'

'Wat zoudt gij gedaan hebben in mijn plaats?'

'En ik maar mijn kloten afdraaien in Duitsland!'

'Ge moet niet overdrijven, Leon.' Zij streelde over zijn hoofd.

==

De grote Doden, Staf de Clercq, Van Severen, Tollenaere stonden op houtsnede-achtige wit-zwarte panelen zonder schaduwpartijen. Kleiner, maar nog tweemaal levensgroot, hing in een fluwelen zwarte lijst de foto van Hulp-rekenplichtige Victor Degelijn met een Hollandse helm op, het leeuwenschild net zichtbaar op de linkermouw, op een schouderstuk het zilveren nummer 44. Een flauw ongelovig lachje om zijn mond: 'Ben ik nu werkelijk zo reusachtig tweedimensionaal dood voor mijn overlevende kameraden?' De bovenzak van zijn jas bultte, daar zat zijn stamboekje in. Klaroenen en trommels, vertrouwd rouwgeluid. Vic Degelijns weduwe leunde tegen een Hauptmann van het Heer. De aangetreden Vlaamse Wachters waren voornamelijk in het feldgrau en zongen: 'Het Dietse Volk herleeft na jaren, verbroken 't juk der slavernij.' Papa wreef zijn tranen weg.

Duitse officieren stonden minder stram in de houding dan de Vlaamse toen een boodschap van Freiherr von Brentano werd voorgelezen waarin hij zwoer dat de Hinterbliebene unterstutzt zouden worden. Van Vic Degelijn, op wacht voor het kolenlager van Haarsten, had men, na de Anglofiele bom, de brokstukken in een kruiwagen verzameld. Papa snotterde. (Wat is er toch met mij gebeurd het laatste jaar? Ik was vast ook zeer bewogen geweest een jaar geleden; nu is Vic Degelijn een van de velen die ik van haar noch pluimen ken. Het is een redelijke dood, misschien komt straks een tijd dat ik het absurd zal vinden. Zoals de Luftwaffenarm die, onafhankelijk van tijd en ruimte, op de knieen van een onbekende lag. De bloedige stomp wentelt zich om, en rijst, blijft rijzen naar mijn mond. Manna.)

'Gij Dietse gouwen, reikt elkaar de hand, de Wacht marcheert'- 'Breek het gelid, mars, houzee!'

Een nsjv'er met een gevlamde trommel bengelend aan zijn middel maakte zich los uit de groep die wachtte om de soldaten met de kist te volgen, salueerde voor Papa en Louis, sloeg de hakken tegen elkaar en zei: 'Houzee, Seynaeve!'

'Houzee,' zei Papa tot de tanige rosblonde jongen met vooruitstekend gebit en hazelnootkleurige (amandelvormige) glanzende (blauwwit-melkwit-oogwit, mijn liefde) blik, het was Vlieghe. Op zijn borst het Hajot Leistungsabzeichen.

'Wel,' zei Louis. 'Heui.' (Ivo Liekens vanachter de koeiestrontkont van het boerenbuitenpummelsdom: 'Heui'.) Hij kneep zijn vingernagels diep in zijn handpalm tot het pijn deed. En hoorde diezelfde achterlijke Ivo Liekens, boerenlomp joviaal zeggen met zijn eigen stem: 'Vlieghe, vent, een mens zou geld geven om u te zien!'

Trompetten weerklonken, het gelid vormde zich. 'Ik zie u direct,' zei Vlieghe in de omfloerste haastige en bevelende toon van het rossige schoolkind van vroeger. Hij trok de riem van zijn trommel aan. Met hem stampten honderd ijzeren voeten weg. Stom nors bete geluid.

Papa wandelde traag met Leevaert en Paelinck (wiens dochter, hoe heet zij ook weer? Simone, een bril droeg, ik heb dat meisje eerder gezien ergens maar sla me dood als ik weet waar, zij ziet er verkommerd uit, gebrek aan liefde, gebrek aan een prijshengst die haar tegen de plankenvloer ramt, Simone, ja, zo heet zij, Simone van Bethanie, de Melaatse, en ik ben het negengordelig dier gepantserd voor alles wat van haar komt, met mijn schubben en graafklauwen schuifel ik van haar weg naar het kerkhof).

Op het kerkhof zei de hoofdwachtmeester, de moeder van de Compagnie, der Spiess, dat de decadentie overwonnen moest worden, dat ons geestelijk leven dat Vic, onze Vic Degelijn, het leven had gekost, zeker nu meer dan ooit hervormd moest worden in een nieuw begin, want steeds rijzen de brandende vragen: Wat zijn wij in de geschiedenis? Wat is de identiteit en de natuur van de mens? Moeten wij niet in onze vaste wil zelf een waarheid scheppen?

Het papiertje in de grove handen van de Spiess beefde. 'De woestijn,' las de man van zijn papiertje, 'breidt zich uit rond ons, maar het is in de woestijn dat de goden terug zullen komen. Sieg Heil...'

De Spiess keek opgelucht op en zei: 'Amen.'

Toen de manschappen zich verspreidden zei Vlieghe (ooit Voske): 'Godverdomme, Seynaeve, de wereld is klein.'

'Ja.'

'En toch...'

'Ja, zo is dat.'

'Wie had dat gepeinsd?'

'Ik niet.'

'Nee.'

Papa schatte volgens papierformaat en druk de prijs van het doodsbeeldje waar de hagelrune op stond, die betekent: Kent God en God kent u.

Oog in oog met Vlieghe die vloekte en zei: 'Ja, waar is de tijd, Louis?'

Hoe wij ongerept, onvergrofd, onverkruimeld op elkaar aangewezen waren als kleintjes, althans ik op u.

'Weet ge 't nog, he, Zuster Sapristi, he, Seynaeve, dedju toch!'

'Ik weet het nog.'

De vendeljongen Vlieghe had een koortslip. Zijn witte sokken, reglementair over de grijze kousen tot over de bergschoenen gerold, waren vol bruine spatten.

'Wij hebben afgezien, he, wij tweeen, in het Gesticht, dju, dju.'

'Maar we hebben ook plezier gehad.'

'Dat is waar, verdomme. Al was het met beschimmelde chocola.'

'Ja. Jaja.'

'En 's winters, blauw van de kou.'

''s Zomers zo warm.'

'Tekent ge nog altijd zo schoon?'

'Ik?' (Hij verwart me met een ander! Met Dondeyne! Met Goossens die de Apostel Bartholomeus was!)

'Wel ja, ge tekende toch altijd van die huizen, meestal kasteeltjes, met bomen en planten, fijn gedetailleerd met vrouwen op een canape. Weet ge dat niet meer? Die vrouwen hadden altijd een grote witte hoed op.'

'Het is mogelijk.'

'Gij gaat naar het College, he?'

'Ik heb een jaar moeten overdoen.'

Papa hoestte kort. Als Zuster Koedde in de grauwe gangen.

'Moet ge weg?' (Vlieghe reageert op het signaal, als vroeger.)

'Ik geloof van wel.'

'Ik ook,' zei Vlieghe meteen. 'Kijk, die daar. Dat schoontje daar, ziet ge ze? die is van mij.'

Een papperig meisje met vlechten. Haar brede blouse met paarlemoeren knopen spande over brede platte borsten.

'Ik heb haar eergisteren oorbellen gegeven van tegen de honderd frank. Ik had dat gewonnen van onze Schaarleider. Met whisten. Wij spelen voor groot geld. Hij is de zoon van de dokter.'

'Zij draagt ze niet, uw oorbellen.' (Gemelijk. Jaloers. Nuffig. Hou op!)

'Dat mag niet in uniform,' zei Vlieghe. 'Gij, gij weet daar niks van, natuurlijk. Gij zijt voorzeker een beetje aan de Anglofiele kant, aan de witte kant. Ik zie dat direct aan iemand zijn manieren van doen.'

'Ik? Waar haalt ge dat?'

'Seynaeve, gij gaat mij nooit blauwe bloempjes kunnen wijsmaken. Ge hebt het nooit gekund. Ik heb u altijd doorzien.'

Het meisje naderde.

'Dat is ze, mijn Kerlinneke. Binnen twee maanden, als de Amerikanen nog niet hier zijn, wordt zij 'Stormster'.'

'Houzee,' zei het Kerlinneke.

'Ik dacht dat het 'Heil, Vlaanderen' was,' zei Louis.

'Wij zijn Dietsers,' zei Vlieghes meisje, van onder haar jurk vlotte een doorschijnende walm die mayonaises deed schiften, kettinghonden deed opspringen.

'Het is van het grootste belang dat wij thans beslissen of wij onze eigenheid als Vlamingen en Dietsers kunnen bewaren of ons willen laten inlijven in het Duitse Rijk,' reciteerde Vlieghe onder haar welwillende blik. En toen, terwijl hij zijn arm om haar middel sloeg op het ogenblik dat zij met een borsteltje over haar plooiloze rok schuierde: 'Allee, ik weet waar ik u kan vinden. Het beste. Houzee!'

'Houzee,'zei Papa.

'Punt in de wind, Vlieghe,' zei Louis, zoals de Boeren, als zij afscheid nemen van elkaar op de uitgestrekte velden van Zuid-Afrika.

==

Nu Rommel gesneuveld is, aan de gevolgen van zijn ongeluk op de Route Nationale Nummer Honderdnegenenzeventig bij Caen, tot op het laatste ogenblik op zijn sterfbed, oog in oog met zijn Schepper, de maarschalksstaf omklemmend, naderen de Amerikanen gezwind.

De Witten worden baldadiger, kijk maar naar de muren van de Gendarmerie, ge ziet de baksteen niet meer van de opruiende leuzen tegen de Nieuwe Orde, de Witten roken speciale scherp-zoete sigaretten die samen met hun wapens worden geparachuteerd op het voetbalveld van Stade-Walle.

Generaal Frissner heeft het zesde leger bevolen zich terug te trekken achter de stroom Prut. De Prut? De Prut.

Madame Kerskens-van-de-overkant wast en strijkt haar Belgische vlag.

Over heel Europa moet het Heer zich beperken tot verdedigingsacties.

'Wij moeten beginnen benauwd te worden voor ons eigen volk,' zei Papa. 'Wij die vanaf het begin van de oorlog niets anders gedaan hebben dan de bevolking helpen. Tot onze laatste frank hebben wij in Het Pakket van de Soldaat gestoken. En mijn vrouw die, nu nog, vandaag nog, probeert de jongens weg te houden van transport naar Duitsland.'

'De mensen zien haar niet gaarne,' zei Theo van Paemel. 'Met haar neus in de lucht. En die air van kom-niet-aan-mij-of-ik-bijt.'

'Het is omdat zij Constance niet goed kennen.'

'Staf, ik ga het maar uitspuwen zoals het is. Gij zijt lelijk verbrand.'

'Verbrand!' riep Papa.

'Als ge wilt kan ik u altijd mijn Luger geven, met een Schein. Voor uw protectie.'

'Nooit van zijn leven,' zei Papa. 'Tegen mijn eigen volk?' Hij haalde Louis' Hitlerjugend-dolk uit de broekzak van zijn overall. 'Hiermee...' Louis griste zijn bezit uit zijn vaders hand. Het lemmet rook naar zure appelen.

'Gij kunt al zo wel vertrouwen op een medaille van de Heilige Christoffel,' zei Theo van Paemel.

'Lach daar niet mee, Theo. Wij hebben nog gehoord van kogels die afketsten op zo'n medaille.'

'Staf, jongen, ik ga het u rechtaf zeggen. Het is uw tijd. Zij staan gereed voor u en uw familie met de hakbijl.'

Toen Mama thuiskwam, zei Papa: 'Constance, de mensen in ons gebuurte zien u niet gaarne. Het is niet schoon, het is ondankbaar, het is uw schuld niet, maar wij moeten toch de gevolgen daarvan onder ogen zien.'

Met Peter erbij hield de stam Seynaeve beraad. De alarmsirene loeide snerpender dan ooit, met een nieuwsoortig verdriet.

==

'Ik moet al mijn plakboeken, mijn Adlers en Simplicissimussen verbranden van mijn moeder,' zei Louis en Bekka antwoordde dat het verstandig was. Zij slenterden, aten korenhalmen, er was geen boer te zien. Drie zilveren vliegtuigen bewogen in zoekende cirkels, doken niet. Twee magere koeien liepen met hen mee langs het prikkeldraad. Koeien aten ratten. Varkens aten elkaar op. En de kinderen zullen de schors van de bomen eten.

'Ik ga u een hele tijd niet meer zien,' zei hij.

'Wie weet.'

'Ik mag het aan niemand vertellen waar wij naartoe verhuizen. Maar aan u kan ik het zeggen.'

'Ik wil het liever niet weten.'

'Interesseert het u niet waar ik naartoe ga?'

'Hoe minder een mens weet, hoe beter.'

'Gij zijt de enige die ik ga missen.'

'Voor een dag of twee.'

'Nee, heel mijn leven. - Hebt ge 't ook zo warm?'

'Ik? Nee. Ik moet naar huis.'

(Nu ik wegga, zie ik haar. Toen zij er was al die tijd, zag ik haar niet. Is dat een wet? Zij is wijdogig (als een ree? in: Breviarium der Vlaamse lyriek?) scherp, met magere bronzen benen en geschramde knieen en ik zal haar niet meer zien in de puinhopen straks, de Russen komen tot aan de Noordzee, de Amerikanen zullen Frankrijk en Italie cadeau krijgen omdat het klimaat daar op Californie lijkt, de Russen in Walle, wij moeten elkaar groeten met omhooggestoken vuist, biefstukken van elanden, beren, wodka, Mongolen.)

'Ik zal u af en toe een brief schrijven. Let niet op de fouten,' zei zij.

'Naar welk adres?'

'Dat kom ik tegen die tijd wel te weten.'

'Villa Kernamout, Dorpsstraat, Acht, Glijkenisse,' zei Louis.

De vliegtuigen hadden een prachtig gebogen witte draad in de lucht achtergelaten. Het afweergeschut bij de Leie schoot naar die draad.

'Er gaat een grote brand komen over Europa,' zei Louis.

'En onze koning dan? Hij is naar Duitsland gevoerd. Het enige wat hij mee mocht nemen was zijn kroon. Zij weegt twaalf kilo.'

'In het kasteel Hirschstein.'

Een boer fietste langs en joeg hen weg met wilde kreten: 'Van mijn erf. Dat is hier van mij tot aan de Leijerwaard!'

Zij zaten bij het grijze water met zijn scherfjes licht, de opborrelende en uiteenspattende luchtbellen. 'Nu of nooit,' dacht de kruisvaarder, die naar Turkije en Jeruzalem vertrok waar men, negen op tien, zijn schedel zou splijten, zijn met wijn besproeide hersenen zou oplepelen, en trok haastig zijn broek open.

'Kijk.'

'Steek dat gauw weg,' zei zij stilletjes.

'Ick segh adieu,' las hij van de pagina gotische krulletters.

Zij sloeg haar jurk tussen haar knieen, en flipte haar duimnagel tegen de roze stengel, zoals een kleintje in het Gesticht dat niet goed kan knikkeren.

'Zo doen de infirmieres dat als zij een gekwetste soldaat moeten wassen, en dat ding staat in de weg,' zei zij en tikte harder, het deed geen pijn, veranderde niets aan de staat van dienst.

'Allee, steek het maar gauw weg.'

'Laat mij een keer bij u zien.'

'Zijt gij op uw hoofd gevallen?'

'Toe.'

'Wat is er daar aan te zien?'

(Veel. Alles!) Een duivelse ongeduldige ergernis verspreidde zich in zijn lijf.

Hij knoopte zijn broek dicht.

'Gaat ge weer nukken?'

'Voor een keer dat ik u iets vraag!'

'Maar het is zo'n dwaze vraag.'

'Dan niet. Ik ga u mijn verrekijker geven.'

'Wat moet ik met uw verrekijker?'

'Ge kunt hem aan Tetje geven.'

'Wanneer krijg ik hem?'

'Vanavond als ge wilt.' En de lome hitte uit het water sloeg op zijn gezicht. Zij trok haar jurk op, zat op een bil, stroopte haar broekje naar beneden.

'Maar zo zie ik niks.'

'O, wat zijt ge lastig.' Zij trok haar broekje over haar enkels, haar bemodderde schoenen. 'Voila, zijt ge nu content?'

'Doe uw benen open.' Zij deed het zo bruusk dat hij schrok. Er was bitter weinig te zien, een vouw donkerder dan haar dijen waar kroeshaartjes uit zwermden, maar zijn hart bonkte, zijn mond was poederdroog.

'Nee, niet aankomen.'

Zij wou overeind komen. 'Nog een minuutje!'

'Wat is er nu weer, onnozelaar?'

'Gij krijgt er mijn Schotse sjaal bij.' (Tante Helene zei: 'Louis, die sjaal is uit de mode. Ge ziet er uit lijk een schooljongen van voor de oorlog.') Hij bleef staren. Hiervoor sloegen mannen mekaar de kop in, briesten ze van wanhoop, voor die stille makke plooi, die niets te maken had met dat ding van hem dat ondraaglijk ongeduldig tegen de ruwe stof van zijn broek schuurde, want in zijn ergernis had hij zijn onderbroek maar half omhooggesjord, hij bevrijdde de ellendeling weer uit zijn kleren.

'O, gij vuilaard,' zei Bekka teder. Zij legde twee vingers op haar spleet, spreidde de vingers, trok de donkere lippen van elkaar, roze en rode gleufjes werden zichtbaar, een glinsterend vlezig kratertje.

'Zeg eens goedendag. Nee, niet erin steken, alleen zijn kopje er tegen.' Zij hief haar billen. De twee delen groetten elkaar, raakten elkaar. Verbazend gemakkelijk gleed het ene deel in het andere.

'Juist maar een momentje,' zei de jonkvrouw van zijn gedachten en hij gehoorzaamde, Ridder Roeland, altijd bereid, mijn eer is trouw, en trok zich terug maar zij duwde met alle macht haar onderbuik naar voor, de rubberen geoliede huls liet niet los. De zon verzengde het veld. Een schreeuw van meeuwen, zo ver uit de kust, van de duinen, 'waar men geen kleinheid kan ontwaren' en die zee bleef maar stuwen tot hij neerviel tegen haar sidderend lichaam, haar zeezout nekhaar.

Zij fluisterde: 'Wie ben ik?'

'Bekka,' zei hij tien twaalf keer.

==

'Kernamout' was een Engels landhuisje met erkers, twee veranda's en een grasveld dat de boer uit de buurt die het onderhield een 'piloeze' noemde. Het behoorde toe aan de familie Goethals die in Zuid-Frankrijk zat en dankbaar was dat Mama hun zoon Henri tot de laatste dagen van de erla beschermd en verzorgd had. Een vreemde vrede vlotte in 'Kernamout', nu Papa verborgen zat in een hoeve in de streek van Veurne waar de boter nog altijd smaakte naar de lijken van Veertien-Achttien en waar nog echte, bescheiden Vlaamse christenen woonden, barmhartige Samaritanen.

Op knarsende karren trokken de Duitsers weg, spraken Russisch en sjouwden landbouwmachines, kookpannen, kantoorkasten, schrijfmachines mee, de oude paarden geeuwden onophoudelijk.

Louis mocht zich niet vertonen omdat hij te lang was, er zeventien-achttien uitzag, vond Mama. Soms lag hij tussen de bloemkolen, de rabarber, en loerde als een sluipschutter van de Witte Brigade naar de knarsende karren, de nijdige vale Duitsers boven op de affuiten. Hij hoorde Mama opgewekt kletsen met Angelique, de vrouw van Nonkel Armand, die 's avonds van Deinze gefietst kwam met nieuws en eten. Tante Angelique was bezorgd omdat Nonkel Armand tot op het laatst zijn ambt als controleur wilde uitoefenen, hij had verleden week nog een boer laten aanhouden die zijn varkens had verwaarloosd, de beesten lagen met hun poten in de lucht van de varkenspest, omdat de boer in een onafgebroken dronkenschap de intrede van de Geallieerden in ons vaderland had gevierd. Giechelend dronken werd de boer door de gendarmes opgebracht, op het dorpsplein had hij geroepen: 'Gij kunt allemaal mijn kloten kussen, maar Armand Bossuyt het meest. Leve het onafhankelijkheidsfront!'

Tijdens hun laatste bijeenkomst in Walle had Peter uitgevaardigd dat Louis zich het best bij de Broeders Hieronymianen in Waffelgem kon laten inschrijven om de drukkersstiel te leren. 'Laten we er geen doekjes om doen, Louis zal geen enkele baat hebben van hogere studies, hij heeft al twee keer moeten overdoen, zijn gedachten staan nergens op, hij heeft niet het minste praktisch verstand, het is geen commercant (het ergste scheldwoord in West-Vlaanderen), hij kan tenminste de basis leren om later de zaak van zijn vader over te nemen.'

'Zaak!' riep Mama. 'Die beschimmelde drukmachines!'

'Constance, houd u hierbuiten,' waren de laatste woorden van Papa.

Mama had zich vergist, zij die dan zogezegd wel praktisch verstand had. Louis en zij verschenen in het Gesticht van de Drukkende Broeders van Waffelgem vijf dagen voor het begin van het schooljaar.

Broeder-Overste, een bolle man met witte krullen, aaide aarzelend over zijn toog. Zijn verkleefdheid aan de familie Seynaeve was buiten kijf, zei hij. En zeker aan onze patriarch, monkelde hij, met wie ik menige fles Bourgogne soldaat heb gemaakt. Voor een andere leerling, wie het ook moge wezen, zou hij het niet doen, maar voor Louis kon er een uitzondering gemaakt worden. Hij mocht gerust die enkele dagen in het Gesticht blijven. Mama kuste Broeder-Overste's hand, alsof hij een aartsbisschop met zegelring was.

Broeder Alfons, een versleten mannetje, nam Louis onder zijn hoede, bakte pannenkoeken voor hem, gaf hem l'Histoire de la Typographie Belge te lezen.

Als Louis door de lege klassen dwaalde, kwam hij steevast de broeder tegen. Louis schreef: 'Verveling dwaalt hier in de gangen / en ik met mijn verlangen / zie geen heil meer in mijn leven / Waar moet ik naar streven? / Ik moet, zegt men, een toekomst verwerven / Terwijl mijn bondgenoten in dichte rangen / aan de grenzen van het Oosten sterven.'

Het was niet modern genoeg. Geen Van Ostaijen, geen Victor Brunclair.

'Verveling, grijze gangen / Miserabel leven minimaal / In Oostengloed de geur van staal! / O doodsgezangen!'

In kapitalen, korps twaalf, schreefloos?

'Het zijn wrede dagen,' zei Broeder Alfons.

'Ja, Broeder.'

'Vooral voor een jongen als gij.'

Wat bedoelde de grijsaard? Dat het heet is en dat een jongen als ik dan liever zou gaan zwemmen met zijn kornuiten? Of dat het het hoogseizoen is voor een jongeman die met meisjes zou willen stoeien? Of dat ik, door mijn ouders in de steek gelaten, hier in mijn eentje wegkwijn? Of dat ik uitgestoten ben door de gemeenschap in deze wrede dagen omdat mijn vader zich om zijn Vlaams ideaal verschuilt als een misdadiger?

Op dat ogenblik kwam een open auto de speelplaats opgereden met jongelui in witte overalls die met machinepistolen zwaaiden.

'Maar het is Bernard!' riep Broeder Alfons vrolijk en rende naar de remmende auto, hielp de chauffeur met uitstappen. 'Bernard, jongen toch!'

De breedgeschouderde jongen, met een ffi-armband om, stapte onderzoekend over de speelplaats. Broeder Alfons riep dat er dubbele Trappist klaarstond, opgespaard voor deze dag. Monsterend kwam Bernard voor Louis staan, Louis stak twee gespreide vingers in de lucht.

'Wie had dat gedacht?' kakelde Broeder Alfons. 'Ik dacht dat ge in de Ardennen zat.'

'De Vlaamse Ardennen!'

'De Kluisberg! Wij hebben er daar vier uit hun kot gerookt.'

'Maar gastjes toch!' zei Broeder Alfons gelukkig.

De oudste Witte Brigade-jongen die een witgeverfde Belgische helm droeg, vroeg terwijl hij zijn machinepistool in zijn armen wiegde als een kind: 'Zijt gij geen familie van de burgemeester van Dentergem?'

'Nee,' zei Louis en bloosde.

'Ik kwam een keer kijken, Broeder Alfons, of dat gij, met uw hart van koekenbrood, soms geen zwarten hebt weggestoken in het klooster,' zei Bernard.

'Ik, Bernard? Ik ben een patriot. Altijd geweest.'

'Het ene sluit het andere niet uit. En wij hebben hier toch in de klassen 'De Vlaamse Leeuw' horen zingen.'

'En 'Kempenland'.'

'Wij gaan eens snuisteren.' Zij liepen over de speelplaats, loerend en in zigzag alsof zij het plein van een belegerde stad aan het innemen waren.

Een uur later stal Louis een fiets uit de loods van het Gesticht en reed, soms doortrappend als Marcel Kint, soms kwiek spurtend als Poeske Scherens, toen met uiterst lome kuiten, niet bedarend, langs olijfgroene tanks met tommy's, langs verlaten afweergeschut. Bij Aalter reed hij door een gebied van verschroeide bomen, rokende rijen huizen met het monotoon geplof van de kanonnen achter de horizon. Het was donker toen hij Tante Mona's huis in Walle bereikte. Peter, met zijn katoenen slaapmuts op, zei slissend dat hij zot was. Cecile had een witte jurk aan en een sjaal met de Belgische driekleur, Tante Mona gaf hem boterhammen met kalfskop in tomatensaus.

'Maar zijt ge nu waarlijk dwars door de linies gereden op die dwaze velo?' vroeg Cecile.

'Wat hebt ge onderweg gezien?' vroeg Peter.

'Ik heb niet gekeken.'

'Die jongen heeft zaagmeel in zijn hoofd!' riep Peter en stak zijn kunstgebit in zijn mond.

'Tommy's,' zei Louis. 'Veel Tommy's in tanks.'

'Dat zijn geen Tommy's,' zei Cecile. 'Het zijn Polen, verkleed als Tommy's.'

'Polen en negers,' zei Tante Mona.

'Waar is mijn vader?'

'Dat weten wij niet.'

'Het is ergens rond Veurne!' riep Louis vertwijfeld. 'Mama heeft het adres gekregen van Theo van Paemel, maar zij is het kwijt.'

'Maar wat wilt ge van uw vader?'

'Hem zeggen dat ze hem zoeken. Dat hij vooral niet naar Glijkenisse mag terugkomen.'

'Dat weet hij toch zelf ook. Een klein kind weet dat. Zij zoeken iedereen.'

'Waar is mijn vader?'

'Kalmeer u, Louis. Zet u. Daar.'

'Louis,' zei Peter kalm kwijlend, 'ge hebt er baat bij van niet te weten waar uw vader is. Zoals de Witten rondlopen met het schuim op hun bek, zouden ze u folteren totdat ge zegt waar hij is.'

'Met brandende Engelse sigaretten tegen uw tepels,' zei Cecile.

'Ge wilt toch niet dat ze uw vader tegen de muur zetten? Het is bewonderenswaardig dat ge zo bekommerd zijt om uw vader, ik had het eerlijk gezegd van u niet verwacht, maar ge hebt zaagmeel in uw hersenen.'

'Gij zijt altijd tegen mij geweest, Peter,' schreeuwde Louis.

'Mona, geef die jongen wat van die rijstpap die nog over is.'

'Hier,' zei Tante Mona. 'Het is riz conde met geconfijt fruit. Ziet ge, uw Peter gunt u het eten uit zijn mond.'

Etende bedaarde hij. Peter vroeg hoe het met zijn moeder was. Louis loog dat ze veel huilde omdat ze Papa miste. Peter knikte tevreden.

Nonkel Leon was, omdat de mensen de verplichte arbeidsdienst in deze dagen vaak verwarden met sympathie voor het Derde Rijk, naar zijn broer in de Walen, samen met zijn liederlijke vrouw Nora. Nonkel Robert zat, niettegenstaande hij veel hongerlijders van Walle gevoed had, in zijn landhuis bij Doornik waar ze hem alleen maar kenden als rentenier.

Louis moest vroeg naar bed. Op zolder, in het veldbedje, keek hij de nieuwe krant, de Volksgazet in, vol stompzinnige karikaturen van de Fuhrer, grof en helemaal niet lijkend getekend, in de vorm van een slang die verpletterd werd door Geallieerde laarzen. In Waffelgem liepen Broeder-Overste en Broeder Alfons, zich aan mekaar vastklampend, naar hem te zoeken in mistige weiden. Oehoe, oehoe, Louis!, steeds angstiger omdat zij al een leerling kwijt waren voor de school begonnen was, zij verdwaalden in de witte nevel, toen generaal-majoor Christoph graaf Stolberg zu Stolberg opdook, zij scheten in hun rokken van angst, kermden dat zij Bruder Hieronymianen waren, Gewiss, zei de officier die op Vuile Sef leek en knalde hen geluidloos neer.

==

Mama keek nauwelijks naar hem toen hij de oprijlaan inreed en zijn fiets op het grasveld kwakte. Met haar sigaret in een mondhoek pulkte zij in de bek van een kat die volgens haar iets verkeerds gegeten had. Louis zei dat hij onder geen beding terug wou naar Waffelgem en dat hij veel beter voor drukker kon leren in Gent, in een vakschool.

'Gent,' zei zij. 'Uw vader heeft ook voor drukker geleerd in Gent, en zie wat er van terechtgekomen is.'

Toen gooide zij glimlachend de kat van zich weg. 'Pak uw valies.'

'Waarom?'

'Wij gaan naar Bastegem, naar Meerke. Kome ervan wat er van komen moet. Die villa werkt op mijn zenuwen.'

Zij fietsten naast elkaar, de koffers zwengelden aan het stuur, soms legde zij haar hand op zijn schouder. Toen ze moeilijk vooruitkwam op de brug van Drongen duwde hij aan haar zadel. 'Blijf van mijn gat af!' riep zij en schaterde het uit. Met wapperend haar en hoogrode konen freewheelde zij langs Canadezen die naar haar floten. Zij stootte een indianenkreet uit die zij beantwoordden.

==

In Bastegem had pastoor Mertens de leiding van de georganiseerde Weerstand. Tante Violet wist uit goede bron dat hij morgen of overmorgen met de handboeien zou komen om haar in hechtenis te nemen. Alle rolluiken van het huis 'Zonnewende' waren naar beneden getrokken, bij de voordeur was een dwarsbalk aangebracht door Nonkel Armand, vlak voor hij zo stierlijk stom was geweest om de bevrijding tussen aanhalingstekens te vieren in het cafe 'Picardy'. Zijn trouwste vriendin en bijslaap, de bazin Antoinette, had heimelijk terwijl ze hem volgoot, haar zoontje Alfred naar pastoor Mertens gestuurd. Nu zat Nonkel Armand samen met de andere landverraders van Bastegem opgesloten in de melkfabriek.

'Zij zouden Armand een decoratie moeten geven,' gilde Tante Violet. 'Hij die het voedsel van de bevolking heeft gered door die vuile zwartemarktboeren tegen te houden!'

'Gij met uw Duitsers,' zei Meerke.

'Is het mijn schuld dat ze hier ingekwartierd werden?'

'Gij waart er veel te familiair mee.'

'Dat ge mijn moeder niet waart, ik sla op uw kaak!'

'Dat schijnt u plezier te doen, Constance,' zei Meerke als tot een Mama van veertien jaar, ver voor de oorlog.

Mama bleef glimlachen.

'En als ze orders uit Walle krijgen om u op te halen?'

'Zij mogen met mij doen wat ze willen,' zei Mama en dacht aan een Lausengier die door kristallen velden langs ravijnen holde, krijsend: 'Constanz, Constanz.'

Door het raampje van de garage kon men Nonkel Omer zien liggen op een berg stro. In het Gesticht van de Broeders van Liefde had hij tijdens een voetbalmatch ruzie gemaakt over een al dan niet buitenspelpositie met een andere zot, die hem een hersenschudding had geschopt. In de ziekenafdeling hadden de dokters hem, in de euforie van de bevrijding, genezen verklaard. Genezen was misschien overdreven gezegd. Hij at in ieder geval zijn drollen niet meer. Hij mocht naar huis op twee voorwaarden: a. dat hij niet losliep in het dorp, b. dat hij zo weinig mogelijk, liefst nooit, zijn broer Armand zou ontmoeten, want dit kon eenzelfde soort schok veroorzaken als die hem in de dollemansinrichting had geleid.

Nonkel Omer had niet de minste hinder van zijn opsluiting in de garage.

'Nonkel, ik ben het, Louis.'

'Nonkel, ik ben het, Omer,' antwoordde hij dan sereen.

'Louis, Staf zijn zoon.'

'Met zijn staf in de hand gaat de heilige Jozef door het land.'

'Maar Nonkel...'

'De ranonkel is vergif.'

==

'Beste Maurice, mijn kameraad,' schreef Louis in zijn schrift met het etiket 'aan M. De Potter'. 'Naar een dode schrijven is verreweg het makkelijkst voor een leerjongen-schrijver die leerjongen-drukker zal worden binnenkort, als de naweeen van de nachtmerrie van de bezetting wat weggeebd zijn. Want wij hebben al die tijd in een nachtmerrie geleefd, wist gij dat, oude rakker? Zo staat het in de nieuwe gazetten.

Nu schijnt het, ook volgens de nieuwe gazetten, dat die nachtmerrie als het Nazi-beest helemaal verslagen is, opgeklaard zal worden. Wij gaan een droom tegemoet van gelijkheid, broederlijkheid en vrijheid. Ja, met diezelfde mensen.

Hebt gij, van daarboven, ook gemerkt dat Belgie, het begrip Belgie, erbovenop komt? Weet ge nog dat wij de kaart van Belgie in onze schoolatlas altijd vergeleken met een voorovergebogen zakkig oud ventje, met de provincie Luxemburg als zijn afgestompte been, ik bedoel als de stomp van zijn been, onze provincie West-Vlaanderen als zijn hoofd in profiel, met dan onze Noordzeekust als de lijn van een muts over zijn schedel?

Het wordt dus een kwestie van opnieuw gewoon te worden aan dit nieuwe vaderland van ons. Ik heb er moeite mee om overal Belgie te lezen in plaats van Vlaanderen. Verder heb ik voor vandaag alleen te melden dat ik het oog heb op een meisje dat mij, geloof ik, goedgezind zou kunnen worden en dat hier in huis komt kuisen. Voordat ge uw paradijselijke neus optrekt voor de reuk van afwaswater en ammoniak, moet ge bedenken dat Goethe die daar bij u in de afdeling 'Titanen' is ondergebracht ook getrouwd was met een zogezegd sociaal minder aanzienlijk persoon. Zend mij uw licht hierover. Zou toewijding niet een betere garantie zijn om in dit aardse leven overeen te komen dan de passie? Alhoewel ik wacht om door dit laatste verteerd te worden, zo stilletjes heb ik er de ouderdom, pardon, de leeftijd voor. Hou mij in de gaten van daarboven. En zegen mij. Ik houd u verder op de hoogte. Uw vriend en broeder in Jezus Christus, dit laatste schrijf ik omdat Hij misschien in uw correspondentie snuffelt. Uw maat en alomgezochte seksuele maniak, Louis.'

==

Nonkel Omer lag geknield met een tor te spelen. Zijn vingers wandelden, werden tralies, de tor draaide in het rond. De voorbijdenderende goederentrein deed hem opkijken.

'Dag, Nonkel Omer.'

'Dag, Nonkel Omer. Hebt ge Chicklet?'

'Nee, Nonkel Omer, vandaag niet.' Gisteren ook niet, morgen ook niet. Oom slikte de kauwgom door. Hij kwam overeind, tot bij het raampje met de schilfertjes opgedroogde regen.

'Ge kondt niet binnen, he, vannacht, met uw kameraden, om mij te pakken.'

'Vannacht lag ik in mijn bed te slapen, Nonkel.'

'Nonkel Ranonkel, ik heb u gehoord, roepen en trommelen.'

'Dat was niet voor u.'

'Nee, zeker!'

'Het was voor Tante Violet, uw zuster.'

Hij hield zijn hoofd schuin, luisterde opnieuw naar het nachtelijk gebalk van de dorpelingen die voor Meerke's huis samenschoolden zodra de nacht viel, soms werden zij weggejaagd door de veldwachter en een paar Canadese mp's. De gele steentjes van de gevel van 'Zonnewende' waren beklad met druipende hakenkruisen, een paar in de verkeerde richting, de hamer van de dondergod Thor, aldus omgebogen, behoedde het huis niet meer voor brand en bliksem.

'Denken zij dat ik Violet ben?' vroeg Nonkel Omer en knipoogde. Hij plette zijn neus tegen het glas, de lichte meisjesogen, die van Mama, lieten Louis niet los. Hij likte aan het glas dat doorzichtiger werd en glom.

'De Japannezen krijgen op hun Japannese kloten.' Dat wist hij van de radio.

'De Duitsers ook.'

Nonkel Omer wees naar de boomgaard waar een kobaltblauw geverfde keukenstoel onder een perelaar stond. 'Daar gaan ze mij neerzetten en vastbinden en dan lappedebie, rappedekwak, kletsekrak, neerschieten als een duif.'

'Waarom zouden ze dat doen, Nonkel?'

'Duizenden waaroms,' zei hij.

'Noem mij er een, een.'

'Omdat ik Violet ben,' riep hij triomfantelijk.

==

De aanklacht tegen Tante Violet is tweeledig, zij heeft niet alleen met de Hun geheuld maar ook een aanranding van de goede zeden gepleegd. Een tiental Bastegemnaars heeft een getuigenverklaring afgelegd dat zij poedelnaakt op het terras heeft gedanst voor jonge moffen van wie een paar zich afgewend hebben van afgrijzen. De substituut geeft geen gevolg aan beide beschuldigingen. Pastoor Mertens toornt vanaf de preekstoel tegen de helaas Belgische kwaal van corruptie, die ook in gerechtelijke kringen woekert. Want de substituut danst naar het pijpen van de nu uiterst belangrijke, in Brussel verblijvende commandant Konrad. En Konrad heeft Tante Violet gered omdat hij gezwicht is voor de smeekbede van Tante Berenice, de heilige. 'Zo simpel is dat,' zei Raf.

'Maar,' vroeg Louis, 'betekent dat dat Konrad in de ministeries van Brussel rondloopt met dat masker?'

==

Als een condor was een vliegtuig neergestreken dat Condor heette. Dit keer kwam er geen minister uitgestapt die zoals de meeste Belgische bewindslieden het vliegtuig gebruikte om naar Bretagne te gaan zeilen met industrielen waarbij niet weinig kisten whisky en sigaren en nylonkousen werden gesmokkeld, nee, een gebronsde jongeman, blonde efeeb in een wit pak kwam over de tarmac gewandeld, hij had te lange armen, althans volgens de Griekse canon, en droeg een tovertasje van turkoois leer met zijn initialen, in het tasje bevonden zich wonderbaarlijke elektrische instrumenten die onmenselijk precieze stralingen konden voortbrengen waarmee de jonge dokter, in regelrechte navolging van zijn vader, specialist in brandwonden, en van zijn grootvader die de gueules cassees in het lichtloze Hotel des Invalides te Parijs behandeld had, Konrad had geheeld. Konrad droeg nog, maar dat uitsluitend omdat hij ijdel was, een donkerblauw getinte bril maar voor het overige zag je nauwelijks nog een litteken. Tenzij in het zonlicht of bij sterke filmlampen.

Raf had met de jonge wonderchirurg en met Konrad het verbluffende resultaat gevierd in de Maxim's te Gent. De dokter was dronken geworden en had aan een buikdanseres beloofd dat hij haar borsten zou omtoveren tot die van een zestienjarige, aan een andere dat hij het litteken van haar appendicitis zou doen verzwinden. Hij had ook beweerd dat het een van zijn voorouders was die Tycho Brahe, Deens astronoom, een gouden neus met cement in het gezicht had geplakt, ter vervanging van de neus die verloren werd in een duel met ene Passberg.

Raf woonde nu in het huis van de hoofdonderwijzer die gevlucht was naar Argentinie. De dag voor de Polen Bastegem binnenvielen had het bevrijde volk de klauwende leeuw en het Deltateken, die, in arduin gehakt, de gevel versierden, aan gruzelementen geslagen maar ook de elektriciteitsleiding en de warmwaterbuizen. Het Onafhankelijkheidsfront vergaderde er, en Raf woonde er, zonder het comfort dat helden rechtmatig konden opeisen.

'Ge wist toch dat ik van de Witte Brigade was, he, Louis?'

'Natuurlijk.'

Holst stond aan het hek. Oorlog of vrede, hij stond aan het hek in zijn houtvesterspak. Louis drukte de immense, droge hand. Raf zei: 'Dag, maat.'

Op een schilderij leek Madame Laura in een witte bontjas een buldog te willen wurgen die amechtig naar een kandelaar op de achtergrond keek. Zij had een platte Chinese witte hoed op waar een dode kolibrie op gepind zat, en keek Louis aan met spottende verwachting. De buldog had een roze lint om met het Ritterkreuz.

'Op ons,' zei Raf.

'Op ons,' zei Holst.

Louis kreeg de tranen in de ogen omdat hij te gulzig de bitterkoude champagne dronk. Hij trachtte een kolkende zure golf uit zijn maag te bedwingen, hij wou niet dat de twee zagen dat hij voor het eerst champagne dronk. 'Champagne in bierglazen, het heeft iets chics,' zei Raf. 'En Veuve Clicquot, dat is goed gekozen, Holst, zeer toepasselijk.'

Louis' vragend gezicht amuseerde Raf. 'Holst weduwnaar zijnde, kleintje. Nietwaar, Holst?'

'Drink op,' zei Holst. 'Er zijn nog kelders vol.'

'Hoe is het met de minister?'

'Goed. Hij komt volgende week met zijn persattache, zijn kabinetschef enzovoort. Om te jagen.'

'Wat gebeurt er met het appartement op de Louisalaan?'

'Wat zou er mee gebeuren?'

'Als Madame Laura er niet meer woont.'

'Wie zegt dat zij er niet meer gaat wonen?' riep Holst.

'Ja, waarom zou zij er niet meer wonen?' zei Louis bijna even heftig. Ik word dronken. Mijn maag borrelt. Poepeloerezat. Op het bebloemde tapijt kotsen straks. Nooit.

'Als Madame Laura niet teruggevonden wordt en daar is veel kans op, dan lijkt het mij maar redelijk dat notaris Baelens, pardon, ik wil zeggen zijne Excellentie de minister Baelens zijn wettige eigendom van de Avenue Louise beleefd maar beslist terugvraagt.'

'Zij zal wel uit komen,' zei Holst.

'Dat is zeker,' zei Raf. 'Zo zeker als goud.'

Raf ontdubbelde, schoof uiteen, als een overdruk van een strooibriefje in Pa's naar inkt geurend atelier. Louis greep Rafs overdruk en verfrommelde hem, gooide hem in de mand onder de snijmachine en vond de jongen gaaf terug op de sofa. Holst vulde hun glazen. 'Er zijn nog kisten vol. Ik kan er ook een scheutje Cointreau in doen, als ge dat liever hebt.'

Louis' nek paste precies, op maat, in de golving van de sofa, hoe bestond het? Louis Quinze had opdracht gegeven aan zijn meubelmakers om een kil zwetend suizend hoofd voorbeeldig aan te passen aan de fluwelige rand van een sofa.

'Waar is Madame Laura?' vroeg Louis.

'Hij weet van niets,' zei Raf meteen. 'Hij vraagt dat niet om u op uw ongemak te brengen, Holst.'

'Hij mag alles weten,' zei Holst. 'Zij is in Brussel gebleven, dat is alles.'

'Gezond en wel in haar vel?' vroeg Raf.

'Natuurlijk.'

'Dus kan ze hier morgen of overmorgen ineens voor onze neus staan?'

'Waarom niet?'

'Maar wat vindt ge van die mensen die aan de politie verklaard hebben dat ze haar in Bastegem gezien hebben, in het wit zoals altijd, op een velo in de omtrek van het preventorium.'

'Wie zegt dat? Een paar zatlappen.'

'Vermaercke, de meubelfabrikant, D'Haenens, Roger en de facteur.'

'Op een velo!' kraaide Louis. 'Madame Laura op een velo! Waarom niet op een tandem!'

'De onderzoeksrechter zelf heeft gezegd dat dat zever in pakjes was.'

'De mensen zijn slecht,' zei Raf en dronk voorzichtig, precies, zoals het hoort, niet in gulzige gulpen zoals Louis. 'Zij zijn slecht en curieus. Van een niks maken ze een hele roman. Voor mij zijn ze beledigd omdat ge zo in het geniep getrouwd zijt. Zoals koning Leopold met zijn Liliane.'

'Ze zouden...' Holst boerde. 'Ze zouden beter een beetje compassie tonen voor iemand die getrouwd is en binnen het jaar zijn vrouw verliest.'

'Compassie de dag van vandaag,' zei Raf peinzend. 'A propos, de laatste keer dat gij uw vrouw gezien hebt, dat was toch op rolschaatsen, he?'

'Ja. Ze schaatste, ik heb het getuigd.'

'Was dat om een beetje beweging te hebben?'

'Zij schaatste vanaf haar tiende jaar.'

'Vandaar dat ze zulke gespierde benen en dijen had,' zei Raf (Van marmer haar dijen / gestoken door bijen.) Louis was er zeker van dat Madame Laura dood was.

(Een vrouw mooi als de dageraad / waar hij geen traan om laat / hij die met haar was verbonden / wie heeft haar nu geschonden / tutum tutum in de dodenlaan / in een ander bestaan / voorgoed vergaan / in een sterrenbaan.)

==

In de tenten van de Amerikanen die bij het sashuis in de weiden waren opgezet heette Louis Lew. Zij vroegen hem om met hen mee naar Duitsland te trekken binnen een drietal weken. Robertson, een elektricien uit Iowa, beloofde Louis dat hij van elke Duitser die hij neer zou knallen het rechteroor kon krijgen. Want Louis had hun verteld dat zijn Daddy aangehouden was door de Gestapo en nog altijd zuchtte in een gevangenis in the Black Forest. Hij werd overladen met chewinggum en Mars en Lucky Strike sigaretten. 'No kiddin' Lew!' Soms reed hij met hen mee in een jeep, starogig langs de dorpelingen, een onwrikbare rad Amerikaans sprekende gids. Hij kende de tekst van 'Don't fence me in', 'I walk alone', 'I'm gonna buy a paper doll that I can call my own', trage, lome liedjes die klonken alsof ze op een te lage snelheid werden afgedraaid.

Het werd ook overduidelijk dat die smeuige weke klanken, de geur van Lucky Strike en machineolie, de nonchalante glans van de stenguns, en de dansende verende onverschillige kinderachtige katachtige filmsoldaten het Derde Rijk zouden plat krijgen, het Duitse leder en staal was te strak, te hard, zou knappen onder de lamlendige veelheid, de niet aflatende toevoer van gracieus gemakzuchtig materiaal.

In het verre landelijk dorp bij Veurne gebeurde het dat Papa, uit overmoed en verveling zich af en toe in het dorpscafe waagde. Hij werd niet herkend, zat in een hoek, dronk zijn pintje en bedwong zijn babbelzieke ziel. Een lokale Witte Brigade-man die alle zwarten de griezeligste folteringen toewenste hief op een avond zijn glas op de executie van alle Dinaso's. 'Maar meneer,' zei Papa, 'neem mij niet kwalijk, maar Dinaso bestond niet meer tijdens de oorlog.'

'Wat? Wat zegt ge daar?' Papa legde uit dat de Dinaso's die wilden medewerken aan de heropstanding van Vlaanderen overgegaan waren naar het vnv, maar dat er zich velen afzijdig hadden gehouden, verward en onthand door de dood van hun leider die zich, beste meneer, in Negentienveertig uitgesproken had voor Belgie en zijn koning. De weerstander trok Papa bij zijn oor overeind en goot zijn bier over Papa's dunne haar. Papa rukte zich los. 'Kom buiten als ge durft!'

'Goed,' zei de held. 'Ge gaat hier buiten, maar tussen vier planken.'

Zwart en wit streden, de omstanders rukten hen uit elkaar en duwden ze weer naar elkaar toe. Agenten in burger. Identiteitskaarten. Onder gejoel werd Papa weggesleept naar het commissariaat en vandaar naar het kasteeltje 'Flandria' in Walle, een vroeger nest van de Gestapo.

'Eigen schuld,' zei Louis.

'Hoe durft ge?' riep Tante Violet.

'Wie zijn vader niet eert zal door zijn zoon gehoond worden,' zei Tante Angelique.

'Hoe kunt ge zo wreed zijn?' zei het meisje Anna dat in het huishouden hielp en op Bekka Cosijns leek, in het blond.

'Stafs vader zal misschien tussenkomen, hij heeft nogal een lange arm,' zei Tante Berenice.

'Hij is ziek,' zei Mama.

'Het schijnt dat hij rap achteruit gaat,' zei Meerke gretig. 'Dat hij zijn eigen niet meer scheert noch ververst.'

'Mona is er het hart van in.'

'Mijnheer de Kanunnik van Londerzeele heeft zich dood verschoten als hij hem zag.'

'Het is begonnen bij het bridgen, hij kon niet meer tellen.'

'Ja, hij heeft zijn kaarten neergelegd en hij zei: ''Heren, ik krijg gaten in mijn hoofd, als een gruyere".'

''t Schijnt dat hij hele dagen vertelt over zijn vader.'

Louis' overgrootvader was een statige advocaat met welige witte baard, die stralen spuugdruppeltjes verspreidde bij het pleiten. Meerke had hem nog gekend. Mama ook natuurlijk, maar die hulde zich in Amerikaanse sigarettenrook, luisterde nauwelijks. Lausengier, hou haar hier.

'...en zijn twee dochters, Rosalie en Myriam, uw groottantes dus Louis, wilden niet meer in Roeselare blijven wonen. Zij hebben die mens dan in de watten gelegd. Papaatje hier, Papaatje daar, waarom gaan we hier niet weg uit dat boerenstadje? nu dat ge op pensioen zijt, kunnen we toch veel beter in Brugge gaan wonen zodat ge nog een beetje plezier hebt van uwen ouden dag, op een appartementje aan het Minnewater want zo'n groot koud huis hier is niet te onderhouden. En hij zei: '''t Is goed, maar mijn duiven moeten mee." Zijn duiven gingen mee, maar het was toch eigenaardig, ze werden ziek de een na de ander, de stuipen en de kanker en de longen. Hij heeft er veel verdriet van gehad, uw overgrootvader, Louis, in zoverre dat hij, die fier was op zijn lange witte baard en hem altijd schoon waste en in krullen stak en proper hield, zijn dochters aan hem heeft laten prutsen met hun schaar totdat hij maar een vierkant baardje meer overhield waar dat er weinig onderhoud aan was, zodat ze 't alleen maar moesten kammen, en een maand later werd dat ook uitgedund tot een onnozel sikje, en als hij zijn hoofd heeft neergelegd, die mens, was hij gladgeschoren, ik heb hem gezien op zijn sterfbed, het was een andere, ik herkende hem niet meer.'

==

'Beste Maurice, hier ben ik weer, pen in de hand. Mijn vader is gekerkerd. In het gevangenenkamp 'Flandria' waar nu de Witte Brigade tennislessen krijgt. Omdat hij niet aldoor ten laste wou zijn van zijn gastheer, begaf hij zich naar de herberg van het polderdorp. Hij betrad de genereus naar Chestersoldatenkaas geurende gelagkamer als een wandelende boom tot ontzag van de gebruikers. Een door spinnenwebben bedekte herbergier naderde en kraste: ''Wat kan ik voor u doen, vreemdeling?" De door een meisje van tien jaar ooit deerlijk met een kaars verschroeide papegaai herhaalde in zijn morsige kooi de bede van de kastelein en het was tot de verhakkelde kaketoe dat mijn vader wedervoer: ''Een bier met weinig schuim en een hard gekookt ei." Dit laatste wekte de lachlust van de dorpelingen die, alleen door de haardvlammen verlicht, elkaar aan het strelen waren en thans hun door drank en onkuisheid verhitte gelaten naar mijn vader toewendden. Hij bestrafte het kluwen duistere landlieden met een strenge blik. Het verdroot hem dat een hard gekookt ei, een in Parijse cafes vrijwel overal op de toonbank te vinden voorwerp, dat een ei als entiteit waar zij tenslotte allen in het gewoel van de tijd uitgekropen zijn, het voorwerp van hun bespotting werd. Mijn vader, in heilzamer tijden een sterke man, joviale echtgenoot, opgeruimde buur, vrijgevig commercant, voelde zich bedreigd door zijn eigen volk. Hij dacht ook, en dit verruimde het veld van zijn treurnis, aan zijn zoon van wie hij voelde dat hij op datzelfde ogenblik in andere streken...'

Kwam Mama de trap op? Louis borg zijn schrift weg, onder de Lustige Blatter, Memoires d'une Cocodette, De Gazet van Antwerpen. Beneden was iemand met pannen en potten bezig. Anna? Hij keek in de spiegel, kamde zijn haar, trok het gezicht van Mussolini, sloeg zijn handen in de heupen, stak zijn kin naar voren, hief zijn wenkbrauwen, krulde zijn onderlip, 'Lavoratori!' Op zijn bed zag hij Anna liggen, zij trok haar knieen op en zei teder. 'O, gij vuilaard!', hij haalde zijn zo weinig mannelijk deel te voorschijn, knoopte er strak een touw omheen en bond het touw zenuwachtig aan de deurklink. Zou Mama op het onverwachts binnenkomen, wat zij nooit zou doen, wat kon het haar schelen wat hij uitvoerde? dat hij bestond? dan zou zij, wat ze nooit zou doen, want Mama bewoog nooit bruusk, dan zou zij met een ruk de deur opentrekken met zo'n intense kracht dat het ding uit hem gescheurd zou worden, verbijsterd zou zij het ding zien zwengelen tussen deur en deurpost, met opengesperde mond zou zij de bloedspatten zien op haar witte Madame Laura-jurk. Hij wachtte, gebonden als een kalf aan een deur. Hij zong zachtjes: 'A doll that other fellows cannot steal, and with your flirty flirty eyes...' Maar niemand kwam. Niemand kwam ooit.

==

'Hi, Lew!'

Dat was hij. De Amerikanen pokerden in een lucht van dampende kleren die in de tent vlotte als mist. Het was de verjaardag van Lucille Ball. Het motregende. Zij toastten op Lucille Ball en werden gauw dronken, baldadig. Overmorgen zouden ze optrekken, naar de Russen of in ieder geval naar stellingen tegenover de Russen.

Toen zwermden zij uit naar het dorp, wat verboden was, zij kropen makkelijk over het prikkeldraad, door de moerassen bij de Oude Leie. Alleen Gene, de kok, die aan het strijken was en Djeedie bleven over. Djeedie luisterde naar het nieuws over de oorlog terwijl hij traag over zijn langgerekt treurig joods gezicht streek. Gene ruimde op. Hij wou een krant waarin tomaten en uien verpakt waren weggooien, toen Louis zag dat de pagina Kunst en Letteren erbij zat. Hij las een gedicht van Johan Daisne, in cursief afgedrukt. Het rijmde.

'Kijk, dit is van mij,' zei hij tegen Gene. 'Dat heb ik geschreven.'

'No kiddin'!' Gene wees naar de letters Johan Daisne en vroeg of dat zijn naam was. 'Jo-Ann Deenie?'

'Mijn schuilnaam.'

'O, een andere naam. Voor de belastingen! Want schrijvers zijn rijk, he?'

'Dit wordt niet goed betaald,' zei Louis. 'Daarom heb ik het voor niks gedaan. Omdat ze 't mij hebben gevraagd. Ik heb het in een avond opgeschreven. Het kwam zo in mij op.'

'Als ik zou kunnen schrijven,' zei de kok, 'zou ik mijn eigen naam gebruiken. Gene Murphy. Dat iedereen, al mijn vrienden, weten dat ik het ben.'

'Op de krant denken ze dat ik een oudere man ben. Als zij zouden weten dat ik nog naar school ga, zouden zij het niet afdrukken. Maar die schuilnaam is eigenlijk ook mijn naam. D'apostrof Aisne. Ik kom van de streek de Aisne in Frankrijk. Mijn verre vroege familie had daar, heeft daar een kasteel.'

'No kiddin'. En wat staat er in dat gedicht te lezen?'

Louis las voor, in het Engels rijmde het niet, er ging veel verloren. 'In one town I was a child / in two towns lives she that loves me / in three I walked to work / what death, eh, eh, eh, rings at church?'

'Tolls,' zei Djeedie. 'For whom the bell tolls.'

'Juist,' riep Louis. 'Dank u wel.'

'Wat voor een stijl heeft het kasteel van uw familie?' vroeg Djeedie. 'Zou het kunnen dat het zeventiende-eeuwse torens heeft?'

'Goed geraden, man!'

'Heeft Louis de Achttiende er niet gelogeerd tijdens de Honderd Dagen?'

'Dat zou best eens kunnen.'

'En men heeft er veel hertogen vermoord, nee?'

'Dat was toen de gewoonte.'

'Ziet het terras niet uit op de kathedraal en de vallei?'

'Gij zijt er geweest,' zei Louis.

Djeedie rook aan zijn handen, streek toen weer de kreukels van zijn lang, melancholiek gezicht plat. Hij had lichtblauwe wangen als een joodse gangster na een namiddag ondervraging door de fbi. Djeedie deed nooit mee met de oefeningen, verscheen nooit op het appel, wat door de anderen als vanzelfsprekend aanvaard werd. Hij was special security agent van het Counter Intelligence Corps.

Djeedie trok de flap van de tent open, de moerassen lagen onder een laag zilver met regenwolken ver weg. Hij schudde Louis' hand, vijf zes keer op en neer. 'In naam van het Twaalfde Infanterie-regiment is het mij een eer een jonge dichter van dit fuckin' land te ontmoeten.'

'Thank you, sir.'

'Take care.' Hij sjorde zijn te wijde, vormeloze broek op en ging weg, zijn hoekige schouders, zijn brede magere rug, droegen gelaten en geduldig al de leugens van de wereld. Louis wou hem achternarennen, vergiffenis vragen: Als ik Louis the Impostor ben is het niet helemaal mijn schuld. Vanaf het prille begin, in the town where I was a child, heb ik niets dan leugenachtigheid gezien, please.

'Ik heb hem nog nooit zo lang horen praten,' zei Gene. 'Dat komt natuurlijk omdat ge een schrijver zijt. Hij zit ook altijd in zijn diary te schrijven. En ook omdat uw familie een kasteel heeft natuurlijk.'

==

Nonkel Omer begon kleur te krijgen en verstandiger praat uit te slaan. Soms, als hij zich in de kuip gewassen had in de achterkeuken, mocht hij in de keuken zitten, maar hij hield het niet lang uit, verdween gauw terug naar zijn garage, kushandjes werpend naar Mama.

'Ge moet hem niet aanmoedigen, Constance,' zei Tante Violet. Niettegenstaande Meerke voor haar ogen een kilo wortelen at per dag en nooit ofte nimmer alcohol dronk, geen druppeltje wijn of bier, zag zij steeds meer voorbijflitsende zwarte vlekken. Te hoge bloeddruk waarschijnlijk.

In Het Laatste Nieuws stond de aankondiging van een prijsvraag over een novelle met een persoonlijke inslag die rechtstreeks of onrechtstreeks met de oorlog te maken had. Inzenders moesten een bewijs van goed gedrag en zeden insluiten en een motto, want de auteur moest tot het verbreken van het daarbij horend verzegeld omslag onbekend blijven. Louis dacht uren na over een motto, maar vond niets dat voldoende hermetisch, eigenwijs, intrigerend genoeg zou zijn om zijn tekst ongelezen te doen bekronen. Omdat Het Laatste Nieuws vaak feuilletons opnam van Abraham Hans, Meerkes favoriete schrijver, haalde hij in de Bastegemse bibliotheek een pak historische werken van deze nogal liberale Vlaamse Kop, tot razernij van Tante Violet die dit als hoogverraad beschouwde omdat zij daar als koningin-van-de-boeken onttroond was door de grijze eminentie pastoor Mertens.

==

De opleiding als drukker van zijn kleinzoon zou door Peter gefinancierd worden, het fiat daarover liet op zich wachten. Mama ergerde zich aan Louis' geluiwammes in huis. 'Lezen en eten en liggen en snauwen, dat moet gedaan zijn, ik heb getelefoneerd naar de Provinciale Handelsschool in Gent, gij spreekt toch zo gaarne Engels met uw Amerikanen, ge kunt daar een diploma halen voor steno-dactylo en vreemde talen, dat komt altijd van pas, ook als drukker, nee, ik ga niet mee naar Gent, nee, ik ga niet mee tot aan het station, kunt ge nog altijd niet op uw eigen benen staan?'

==

In het grijsgrimmig staatsiegebouw van de Handelsschool liep allerlei zwierig volk, leraren en leerlingen, in en uit. De jongen uit Haarbeke, Walle, Bastegem, in zijn te warme jas die Mama uit een Amerikaanse legerdeken had geknipt samen met Nonkel Omer van wie de pestilente geur van nat stro en stront in de jas gedrongen was, zelfs al beweerde Mama van niet, de jongen durfde niet naar binnen. Hij zou stotteren, stikken in zijn schaamte. Men zou binnen de minuut het landverraad van zijn vader op zijn boerengezicht lezen. Louis wachtte, tot er geen mens meer in de straat te zien was, naderde de gevel en keek door een brede barst in het matglas. Jongens en meisjes zaten in een klas, voorovergebogen, vulden cijfers in.

Louis sjokte langs de Graslei, de Korenlei, de meest historische plekken van Europa, met Romaanse, Gotische, Oostenrijkse, Renaissance noem-maar-op gevels, met stenen koggen en ankers en guirlanden, barokke bogen, de Gentenaars liepen in fluwelen tabbaards, hadden hazewinden bij zich, droegen valken op hun geharnaste vuisten. Louis kocht tweehonderd gram kaas, wou dit consumeren als een page die op zijn dame-met-hennin wachtte op het terras van 'Het Hof van Egmont' toen hij het bont paneel van Song of the North zag.

De ouvreuse scheen in zijn gezicht met haar lamp terwijl ze bits zei dat het drinkgeld niet inbegrepen was, in zijn verdoemde zweterige haast stak hij haar een vijffrankstuk toe in plaats van een frank en toen sloeg de eerste Amerikaanse film in kleur hem met afgrijzen en verbijstering. De kleuren waren ongemeen schril, de helden en heldinnen waren okergeel van tint, het rood en blauw geblokt houthakkershemd van George Brent schreeuwde pijnlijker dan de dame die hij deed ontploffen, waarbij dennen als vuurwerk (valer dan zijn tanden) over het hele doek vlogen. Het zag er naar uit dat George Brent de weerbarstige dochter van een rancher zou krijgen, de violen kondigden het aan toen Louis het vel papier van de kaas loswikkelde, en mootjes van de kleffe zure klomp naar binnen propte. Hij wreef zijn vettige vingers aan de fluwelen zitting, volgde het kinderachtige want Amerikaanse sprookje, toen de twee studenten naast hem in het Gents begonnen te vloeken. Zij hadden het duidelijk op hem gemunt. Toen hij star voor zich uit bleef kijken stonden ze op en gingen drie rijen achter hem zitten, steeds morrend. Onherbergzame stad Gent. Sinds de middeleeuwen al: pretentie. Kwamen ook te laat bij de Slag van de Gulden Sporen.

Toen stond een kale man in de rij voor Louis ineens op en, eveneens Gentse verwensingen slakend, verplaatste hij zich naar achteren. Met een vaag vermoeden dat hij iets vreselijks had misdaan dat tot nog toe onontdekt was gebleven, viel Louis in slaap, behaaglijk warm, de kaas was turf op een roze knus gloeiend kacheltje in de bioscoopstoel, de Kei las een boek en liet ostentatief(niet om te pronken of te pralen, maar om te misleiden, schijn voor te spiegelen, ostentatio) het dekblad zien: 'Is luiheid een ondeugd of een ziekte?' in de kaaswinkel wees Louis een romig goedje aan, 'Herve?' riep de verkoopster en hij, opnieuw jachtig, knikte, er zijn ook Duitse kazen die op Herve lijken, de naam lag op de punt van zijn bittere tong, Limburger? ook Zwitserse kazen waar men geitenkeutels in doet die ontbinden tot blauwe sterretjes en spinnenwebben, nu pas ruik ik het, was ik verkouden? de stank wordt heviger, groeit als een razendsnel woekerende plant van stank, de mensen in de behaaglijke bioscoopstoelen slaan er verwoed naar, drek en ammonia vlotten door de zaal, de mensen schuiven in geluidloze rijen naar de uitgang. George Brent's reusachtig gezicht met pukkels op zijn wangen, gekloofde lippen, merkt ook iets terwijl hij op het punt staat het onder kalklagen krakend masker van zijn zieltogende moeder te zoenen, o, zijn moeder mummelt met haar allerlaatste adem vervloekingen en de zoon, George Brent, spert de neusgaten, de neusharen trillen als in een briesje, hij duwt zich van de knekelschouders af en, hij ook, hij vlucht in een stal, bespringt een schimmel en rijdt vierklauwens de prairie in, het lijk van zijn moeder richt zich op en niest waardoor het licht aanfloept, de twee ouvreuses tonen hun tanden als kwade doggen.

Louis stond op straat, het was donker, trams schelden en hij bleef stinken de hele lange weg naar het station want hij durfde de tram niet op, en stierf van de dorst, sitio, door de Hervekaas, nochtans een Belgisch product, dat de Fransen ons benijden.

==

Tante Violet kwam terneergeslagen terug van Brussel. Al haar desperate pogingen om commandant Konrad op het ministerie te spreken waren mislukt. Daar zat minister Baelens tussen, die zijn directieven gegeven had om haar te weren. En Baelens had op zijn beurt directieven gekregen van pastoor Mertens, katholieken onder elkaar. Treurig ging ze naar boven om haar zondagse jurk uit te trekken.

Meteen fluisterde Meerke: 'Nu dat hij genezen is ziet hij haar niet meer staan natuurlijk.'

'Zag hij haar dan wel staan, vroeger?'

'Van het moment dat hij in Bastegem aangekomen is. Zij en Berenice waren er als kippen bij. Peinst een keer, een man die door een vrouw uit liefde vitriool in zijn aangezicht gekregen had en daardoor Onze Lieve Heer had ontdekt! Hoe meer puisten en schilfers hij kreeg, hoe meer dat hij God en zijn Heiligen vereerde! En dan, als hij zijn eigen kerk gesticht heeft, zogezegd van de Hugenoten waar dat hij verre familie van was, dan kon hij natuurlijk op Berenice rekenen, voor wie de katholieken niet goed genoeg zijn natuurlijk. En omdat hij met Berenice aanpapte kon Violet die heel haar leven jaloers geweest is van haar zuster, het ook niet laten, zij moest en ze zou de attentie van die puistenkop hebben.'

Zij schudde haar hoofd alsof ze een elektrische schok kreeg, zag weer een voorbijschietende zwarte vlinder.

'Gelukkig maar,' zei Louis, 'want als er een kweek van gekomen was, van Tante Violet en Konrad, dan zou 't een propere aap geweest zijn.'

Zoals verwacht slaakte Meerke een kreet. 'Maar Louis, waar gij aan durft peinzen! Ge versmerigt met de dag. Hebt ge dan geen greintje eergevoel?'

Een tweede reizigster - Vlaanderen zond zijn dochters uit - kwam thuis. Mama, die haar man was gaan bezoeken in de 'Flandria', waar zij ooit haar aan Vlaanderen verkleefde zoon-schildwacht had getergd.

'Uw vader heeft geen courage meer. Ze weten niet wanneer zijn proces kan voorkomen. Er zijn bergen dossiers. Aan de andere kant is het beter zo, want ze fusilleren aan de lopende band. Wie 't ongeluk heeft om nu voor te komen krijgt de doodstraf. En al die getuigen ten laste. Er zijn klachten van voor de oorlog al. Drie, vier getuigenissen dat er een Hitlerpop bij ons op de schouw stond. Coiffeur Felix heeft gezworen dat hij in de vestzak van uw vader handboeien heeft zien zitten en een knijptang om Witte-Brigademensen te folteren. Nu heeft mijnheer Groothuis aan BoMama beloofd dat hij zijn best zou doen voor uw vader. Maar wat is het beste van mijnheer Groothuis waard? Wie had er ooit kunnen peinzen dat Groothuis tijdens heel de oorlog naar Londen heeft getelefoneerd?'

'Telefoneren naar Engeland?'

'Of telegraferen. Of een speciale telefoonlijn onder in de zee. Ik heb er niet zo goed naar geluisterd. Maar heel de oorlog heeft hij orders gekregen van De Smet de Naeyer van de regering in Londen. Hoe ver dat hij mocht gaan.'

'Hoe is 't met Staf zijn vader?' vroeg Meerke.

'Hij is zeer zwak, hij kijkt af en toe scheel, zegt Mona.'

Met een verzaligd kalm gebaar nam Meerke haar breiwerk op.

'Boontje komt om zijn loontje. Altijd een hovaardige geweest, Staf zijn vader. Weet ge 't nog, Constance, op uw trouwdiner, dat hij die speech hield over de bruiloft van Kana, lijk of dat we in een schoolklas zaten. En dan zat hij aan zijn vlees te pulken. Ik zeg: ''Scheelt er iets, mijnheer Seynaeve?" "Ik heb de indruk dat we hier paardenvlees geserveerd krijgen," zegt hij zo langs zijn neus. In de 'Pomme d'Or'! Staf moet bij hem thuis gezegd hebben dat wij zo arm en profijtig waren dat we meestal paardenvlees aten.'

'Wij aten toch niet slecht vroeger,' zei Tante Violet in haar peignoir. Zij rook naar Sunlightzeep.

'Veel spek.'

'Groenten uit de hof.'

''s Avonds af en toe een ingelegde haring.'

'En 's zondags bouilli. Met worteltjes.'

''s Zaterdags eerst de soep daarvan.'

'Of pense.'

'Wat is dat, pense?'

'Gekapt van darmen, manneke.'

'En rijstpap.'

'Op onze klompen naar school.'

De drie vrouwen, de drie weduwen, zuchtten bijna tegelijkertijd. Louis neuriede: 'Floedie floedie floi floi.' Cab Calloway.

'Weet ge nog, Constance, dat ge een ransel nodig had op school en dat ik een koevel gekregen had van de Liekens. Ik bracht het naar Edgar, de schoenmaker zaliger. En die duts verstond het verkeerd, hij draaide het vel aan de verkeerde kant, met het haar naar buiten.'

'Ik heb daar alle dagen om geschreid. De andere kinderen riepen: ''Kalf! Kalf!" naar mij.'

'With a love that's true, always,'kalf.

'Iedere zaterdag in de kuip in de keuken,' zei Tante Violet. 'En op een keer stond de schoolmeester in de keuken. Hij zag mij, ik was dan een jaar of zeven. ''Precies een Rubens," zei hij.'

'En dan rap rap, kletsnat, in onze tabbaard in bed, want het vroor stukken uit de aarde, in die tijd,' zei Mama in de walm van haar Lucky Strike.

'I'll be loving you always. With a love that's true, always.'

'Op een keer kwam ik van school en het regende. Maar ik wilde natuurlijk niet naar huis in mijn schort, omdat de jongens van de vakschool mij konden zien. En mijn zomerkleedje, ik had er maar een in die tijd, was kletsnat geworden. Ik hing het thuis te drogen bij de stoof en ik lette er niet op en het was helemaal verschroeid. Onze Pa sloeg mij bont en blauw. Veel slagen gekregen van onze Pa.'

'Hij meende 't goed, Constance. Maar hij was gauw koleirig,' zei Meerke.

'Dat is waar.'